De basisopdrachten

  1. Gesubsidieerde federaties moeten samen met hun sportclubs sportactiviteiten organiseren. Bij unisportfederaties gaat het niet enkel om recreatieve sportbeoefening, maar ook om competitieve sportbeoefening.

  2. Gesubsidieerde federaties moeten kaderopleidingen en bijscholingen organiseren.

  3. Gesubsidieerde federaties moeten hun aangesloten clubs begeleiden.

  4. Gesubsidieerde federaties hebben een informatieplicht ten opzichte van hun aangesloten clubs en ten opzichte van de Vlaamse regering.

  5. Gesubsidieerde federaties moeten hun eigen sporttak(ken) promoten.

 

In ruil voor het uitvoeren van die vijf basisopdrachten krijgen ze een algemene werkingssubsidie waarmee ze hun personeels- en werkingskosten kunnen financieren. De werkingssubsidie bestaat uit een basissubsidie (de zogenoemde sokkel), die wordt bepaald volgens het aantal aangesloten leden, en een kwaliteitssubsidie (de zogenoemde korf), die wordt bepaald op basis van drie kwaliteitsprincipes: draagvlak, kwaliteit van het sportaanbod en goed bestuur.

Het kwaliteitsprincipe draagvlak

Minimaal 35% van het totale budget dat vrijgemaakt wordt voor de kwaliteitsprincipes gaat hiernaartoe. Het principe draagvlak heeft betrekking op het bereik van de sportfederatie, met andere woorden het aandeel van de sportfederatie in de totale georganiseerde sportsector.

 

Het budget wordt voor de helft verdeeld op basis van het aantal aangesloten leden. Voor de andere helft gebeurt de verdeling op basis van het aantal personeelsleden.

Het kwaliteitsprincipe kwaliteit van aanbod

Minimaal 45% van het totale budget dat vrijgemaakt wordt voor de kwaliteitsprincipes gaat naar dit kwaliteitsprincipe. Dit principe heeft betrekking op de kwaliteit van de sporttechnische omkadering bij de sportclubs van de sportfederatie, maar ook op het de kwaliteit van het vormingsbeleid en de kwaliteit van het aanbod.

 

De toekenning van deze subsidie gebeurt op basis van drie parameters:

  1. het aantal sportgekwalificeerde trainers die actief zijn in de sportclubs die tot de federatie behoren;
  2. het aantal leden van de federatie die in het betrokken werkingsjaar een nieuwe sportkwalificatie hebben verworven via een sporttakgerichte kaderopleiding van de Vlaamse Trainersschool.
  3. inspanningsverbintenis inzake opleiding en bijscholing: noden-, behoefte- en visiebepaling over kaderopleiding, aanbod aan opleidingen, bijscholingen en permanente vorming, valorisatie en sensibilisering naar clubs toe.

De berekeningswijze werd in het besluit vastgelegd.

Het kwaliteitsprincipe goed bestuur

Maximaal 20% van het budget voor de kwaliteitsprincipes gaat naar dit principe. Onder goed bestuur verstaan we patronen in de organisatiestructuur die worden gekenmerkt door verantwoording, efficiëntie, effectiviteit, voorspelbaarheid, transparantie en democratie.

 

De wetenschappelijke basis voor dit principe werd gelegd in de overheidsopdracht 'Goed bestuur in Vlaamse sportfederaties', een onderzoek dat de KU Leuven uitvoerde in opdracht van Sport Vlaanderen.

 

De precieze berekeningswijze werd in het besluit vastgelegd.

Rationalisering van het sportlandschap: unisportfederaties vs. multisportfederaties

Om in aanmerking te komen voor subsidies, moet een erkende sportfederatie een sporttak aanbieden die op de sporttakkenlijst vermeld wordt.

 

Per sporttak kan er slechts één unisportfederatie gesubsidieerd worden. Die voert een integraal, kwaliteitsvol en maatschappelijk toegankelijk sportbeleid in één bepaalde sporttak. Ze garandeert met andere woorden een aanbod van breedtesport tot topsport, maar ook een aanbod op maat van de mogelijke leeftijdsgroepen en doelgroepen. Ook G-sport.

 

Op basis van een aantal bijkomende voorwaarden worden de unisportfederaties ingedeeld in vier categorieën: A1, A2, B en G-sport.

 

Een unisportfederatie in categorie A1 kan als enige, via haar nationale koepel, deelnemen aan de Olympische Spelen. Via diezelfde koepel heeft ze als enige een officiële affiliatie met de internationale federatie van de sport. De internationale sportfederatie moet op haar beurt door het IOC aanvaard zijn als Olympische sportfederatie.

 

De unisportfederatie in categorie A2 kan via haar nationale koepel als enige deelnemen aan Wereldkampioenschappen of aan de Wereldspelen. Via haar nationale koepel heeft ze als enige een officiële affiliatie met de internationale federatie van de sport. De internationale sportfederatie moet op haar beurt volwaardig lid met stemrecht zijn van SportAccord.

Voor de unisportfederatie in categorie B bestaat er geen internationale federatie die een officiële affiliatie heeft met het Internationaal Olympisch Comité of met SportAccord.

 

Een unisportfederatie in de categorie G-sport kan als enige, via haar nationale koepel, deelnemen aan de Paralympische Spelen. De G-sportfederatie heeft, via haar nationale koepel, een officiële affiliatie met het Internationaal Paralympisch Comité.

 

Een multisportfederatie is een sportfederatie die een kwaliteitsvol en maatschappelijk toegankelijk aanbod heeft in ten minste vijf sporttakken die voorkomen op de sporttakkenlijst. Voor elk van die vijf sporttakken telt ze minstens duizend aangesloten leden. De multisportfederatie organiseert voor haar aangesloten leden recreatieve sportbeoefening of recreatieve competities.

Fusies als rationaliseringstool

Als unisportfederaties tussen 31 december 2015 en 1 januari 2017 fuseren met een of meer andere sportfederaties in dezelfde sporttak, dan krijgt de gefuseerde federatie in de olympiade 2017-2020 een jaarlijkse bonus die overeenstemt met 40% van de toegekende basissubsidies voor 2015 van elk van de sportfederaties.

 

De bonus geldt op voorwaarde dat de gefuseerde unisportfederatie een integraal, kwaliteitsvol en maatschappelijk toegankelijk aanbod garandeert en dat ze voldoende financiële middelen inzet voor een kwalitatief aanbod voor recreatieve sportbeoefenaars.

Overgangsmaatregelen

1°         voor het werkingsjaar 2017: 75% van het voormelde krediet op basis van de toegekende basissubsidies voor 2015 en 25% van het voormelde krediet op basis van de algemene werkingssubsidie met toepassing van dit decreet;

2°         voor het werkingsjaar 2018: 50% van het voormelde krediet op basis van de toegekende basissubsidies voor 2015 en 50% van het voormelde krediet op basis van de algemene werkingssubsidie met toepassing van dit decreet;

3°         voor het werkingsjaar 2019: 25% van het voormelde krediet op basis van de toegekende basissubsidies voor 2015 en 75% van het voormelde krediet op basis van de algemene werkingssubsidie met toepassing van dit decreet;

4°         voor het werkingsjaar 2020: 100% van het voormelde krediet op basis van de algemene werkingssubsidie met toepassing van dit decreet.

Database voor aangesloten sportclubs en leden

De erkende Vlaamse sportfederaties en organisaties voor sportieve vrijetijdsbesteding moeten de aangesloten sportclubs en haar leden bijhouden in een database. De bijgehouden bestanden moeten voortdurend up-to-date zijn en bevatten minimum gegevens die in het model vermeld worden, opgenomen in bijlage bij het besluit (na goedkeuring VR).

Informatieve tools bij de basisopdrachten van gesubsidieerde sportfederaties

Onderstaande tools vertalen de teksten van het decreet en het uitvoeringsbesluit naar een praktische handleiding bij de afbakening en invulling van de verschillende basisopdrachten.

De tools zullen systematisch uitgebreid worden wanneer het decreet in voege gaat.

Terug naar boven